Kasteel de Borrekens

Werd gebouwd omstreeks 1270 door de ridders van Rotselaar. In 1678 werd het heropgebouwd en werd het omringd met stenen wallen. Het kasteel bestaat uit wit zandsteen afkomstig uit Vilvoorde. lees meer

Schapenstal

Begin 2010 is een enthousiaste ploeg vrijwilligers begonnen met de heropbouw van de stal, in de prachtige omgeving van het natuurgebied Schupleer. Na vele werkdagen werd de stal feestelijk geopend op 25 september 2011. lees meer

De 14 Kapellekens

We kunnen met vrij grote zekerheid stellen dat de kapellengroep ‘De Veertien Kapellekens’ werd opgericht in 1860 door landbouwer Petrus Verhaert, die medio 19e eeuw met een zeis in zijn been had gemaaid. lees meer

Schranshoeve

Aan de Nieuwstraat ligt, al vele eeuwen, de hoeve ‘de Schrans’, door iedereen gekend als het familiehuis van Kardinaal Jozef Ernest Van Roey (° Vorselaar, 1874). Thans is de hoeve één van de toeristische trekpleisters van de gemeente. lees meer

De kapelletjes in Vorselaar

Het Sassenhout is één van de oudste gehuchten van Vorselaar. Gelegen op wel 3 kilometer van het dorp en gescheiden van de ‘Plaetse’ door de onmetelijke bossen van de kasteelheer en de weidse beemden van de Aa-vallei, kende het steeds een eigen bestaan. lees meer

 

De Groote Oorlog in België

��                                

                                   Nach Paris” : België als doorgang naar de Lichtstad


Zoals in het vorige  artikel al uitgelegd, wilden de Duitsers de Franse versterkingen aan de Frans-Duitse grens ontwijken door langs het noorden Frankrijk binnen te vallen.  De kleine landen Nederland en België zouden dus  in het oorspronkelijk plan het Duitse leger moeten laten passeren. Uiteindelijk werd Nederland toch ontzien.    Dit had wel als gevolg dat de insprong tot Maastricht het noorden van het Belgisch grondgebied afschermde.   België werd voor de keuze gesteld : ofwel het Duitse leger doorlaten met schadevergoeding ofwel door de Duitsers als een vijand worden beschouwd. Op 3 augustus verwierp België het ultimatum.
Een dag later overschreed het Duitse leger de Belgische grens. 

Intussen had België op 29 juli al een eerste mobilisatie opgezet met als motief dat de grenzen moesten verdedigd worden.  Twee dagen later volgde de algemene mobilisatie: 15 klassen werden opgeroepen,  11 van het oude lotingsysteem en 4 van de persoonlijke dienstplicht – België had als laatste Europese land pas in 1913 de algemene dienstplicht ingevoerd.  Ondanks de korte tijdsspanne verliep alles redelijk vlot. De meerderheid van de soldaten kwam opdagen.  Het leger had immers de gewoonte jaarlijks contingenten op  te roepen en de procedures waren in alle gemeenten bekend. Van de bijna 234.000 manschappen kwamen er effectief bijna 180.000 aan op hun eenheid. Hiervan waren er 117.000 voor het veldleger en de rest vormde de vestingtroepen voor de forten rond Luik, Namen en Antwerpen.  De kwantiteit was er wel maar de kwaliteit liet te wensen over.  Het Belgische leger had geen enkele oorlogservaring.  Er waren grote verschillen tussen de soldaten en allen hadden een gebrek aan training.  Zowel het oude lotelingenstelsel als de universitaire compagnieën, die studerende jongens voor het ruwe kazerneleven behoedden, maakten dat het merendeel van het leger te velde bestond uit arme ongeletterden.  De kaders waren niet goed voorbereid en waren niet voldoende in aantal voor een verviervoudiging van het leger.  De coördinatie was slecht.  Naar specialisatie bleek al snel dat de vuurkracht  te beperkt was: er waren veel te weinig kanonnen en dan nog van een te licht kaliber (6 inch tegen 16 inch bij de Duitsers) en er waren bijna geen mitrailleurs.  Paarden kregen nog een belangrijke rol  toebedeeld. 

                               ��   Europese Lilliputter : België “Bachten de Kuppe”

De Duitsers zetten tijdens hun offensief naar schatting 800.000 man in.  Het Belgische leger kon deze opmars niet stoppen maar toch wel degelijk vertragen, vooral omdat de Duitsers de forten wilden uitschakelen.  De grootste Duitse kanonnen konden hiervoor niet worden ingezet omdat hun vervoer een speciale spoorbaan vereiste.  Er moesten Oostenrijkse kanonnen van minder kaliber worden aangevoerd en dan nog was hun transport indrukwekkend.  Luik viel snel maar de “bakstenen” forten hielden twee dagen langer stand.  Rond de forten van Namen werden de Duitsers weer enkele dagen opgehouden.  Intussen waren er ook al Franse troepen in de Ardennen komen helpen.  Een succesje werd op 12 augustus eveneens geboekt aan de Gete bij het Limburgse Halen toen de Belgen de Duitse cavalerie terugsloeg in “De slag der Zilveren Helmen” (dit verwijst uiteraard naar de Slag der Gulden Sporen op 11 juli 1302).  Volgens de boeken was dit in onze contreien de laatste  cavalerieaanval in de oude stijl: in galop en met getrokken sabel. (fig. 2)

Toch stonden de Duitsers eind augustus al in Brussel en Leuven. De Belgische hoofdmacht plooide toen terug op Antwerpen en van hieruit werden tussen 9 en 13 september over een front van 40 kilometer enkele kleine tegenaanvallen gelanceerd om de Fransen en Britten toe te laten hun stellingen op te bouwen langs de Samber en het Centrumkanaal bij Bergen.  Na wat kleine successen zoals de herovering van Aarschot en Dendermonde, sloegen de Duitsers hard terug.  De Belgen werden onder andere rond Mechelen in Schiplaken en Hofstade-Zemst zwaar aangepakt.  Dit alles maakte koning Albert duidelijk dat de overmacht niet lang kon worden tegengehouden.  Hij dacht zelfs aan overgave maar de Franse opperbevelhebber en eerste minster De Broqueville konden hem overtuigen om verder te vechten.  Op 28 september begonnen de Duitsers de aanval op de vesting  Antwerpen.  Op 10 oktober werd besloten om Antwerpen op te geven en terug te trekken richting de zee.  De terugtocht verliep chaotisch en uiteindelijk bereikten 75.000 uitgeputte Belgische soldaten de streek rond Veurne.  De menselijke verliezen in ons leger  waren al bij al beperkt : 9.000 gesneuvelden, 15.000 ontslagen wegens ziekte of verwondingen, 30.000 man was krijgsgevangen genomen door de Duitsers, 32.000 soldaten waren gevlucht naar Nederland en daar geïnterneerd.  De rest was op de dool met als voornaamste doel thuis te geraken.


Op 12 oktober1914 rukten de Duitsers Gent binnen. De Britten bezetten Ieper vanaf 14 oktober1914. De volgende dag stelden Franse, Britse en Belgische troepen zich achter de IJzer en de Ieperlee op.  Op 21 oktober vielen de Duitsers Tervate aan en slaagden erin een loopbrug over de IJzer in te nemen en een bruggenhoofd te vormen op de linkeroever. Ze dreigden door te stoten naar Duinkerke.  Op 25 oktober 1914 werd de situatie zo kritiek dat Koning Albert�� besliste om de polder tussen de IJzer en de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide onder water te zetten.  Het Belgisch Leger was wel vertrouwd met de militaire waarde van onderwaterzettingen. Inundaties waren een strategisch onderdeel van de vesting Antwerpen.  Ze deden een beroep op twee mensen die de streek rond de IJzer kenden : sluisopzichter Karel  Cogge en schipper Hendrik Geeraert.  Blijkbaar hadden de Duitsers het belang van het sluizencomplex (Fig. 3) en de mogelijkheden tot inundatie niet erkend. Pas toen de polder in een ontoegankelijke watervlakte was veranderd en hun troepen ten Zuiden  van de IJzer hopeloos vast zaten, gaven ze zich rekenschap van het gebeuren. De Duitsers moesten zich op 30 oktober terugtrekken achter de IJzer.  Tussen hen en de Belgen lag een overstroomd gebied van ongeveer 1 en 3 kilometer.  Alleen in Diksmuide zaten ze slechts 30 meter van elkaar en de Duitsers hadden met de bestaande petroleumtanks op de linkeroever een mooi overzicht over de stellingen.  Daarom heetten de Belgische  loopgraven hier niet voor niets “de Dodengang”. 

Hoewel numeriek fel in de minderheid was het Belgisch leger tijdelijk gered. Er waren in deze IJzerslag nog eens 3.500 doden gevallen en circa 15.000 soldaten waren al dan niet tijdelijk buiten strijd. De voorraad munitie was uitgeput en de artilleriestukken waren bijna volledig buiten gebruik.  De volgende vier jaar moesten de Belgen een frontlijn van circa 40 kilometer verdedigen.  Britse en Franse eenheden stonden in voor de zone Boezinge,  Sas-Ieper-Armentières en de Britten namen ook de kustzone rond Nieuwpoort voor hun rekening. 

                        De pinhelmen : groot en dapper maar arrogant en rancuneus

De Duitsers hadden hun veldtocht in België goed voorbereid.  Er waren al veel  commerciële contacten door het succes van Duitse chemische en farmaceutische producten en vooral de kwaliteit van het Duitse staal. Onder andere in de Westhoek werd vastgesteld dat sommige Duitse soldaten zeer goed hun weg kenden in onze streken.  Dit was ook nodig want volgens de planning moest de rechtervleugel van het leger op de 22ste dag aan de Frans-Belgische

grens staan.  Iedere dag oponthoud in het dichtbevolkte België zou 16 à 20 kilometer vertraging inhouden. De soldaten moesten onafgebroken voorwaarts marcheren zodat buitenstaanders twee zaken opvielen : de enorme colonnes  van  grijze uniformen en de zweetgeur.  De Duitsers zagen nogal vlug dat hun planning mislukt was en dat het Britse expeditieleger intussen ook klaar stond.

 Ze reageerden hier zeer kregelig op.  Terwijl de eerste dagen er geïsoleerde wraakacties plaats grepen (o.a. in Visé), waren er vanaf 19 augustus represailles op grote schaal. De eerste massamoord vond plaats in Aarschot waar 156 burgers werden gefusilleerd. Dan volgden er in de streek van Namen, Andenne  en Seilles (262 doden en 200 platgebrande gebouwen), Tamines (384 doden en 240 gebouwen) en Dinant (674 doden en 1100 gebouwen).  De grootste weerklank in de Angelsaksische pers vonden de vernielingen in Leuven :  meer dan 1000 huizen (1 op 7) werden vernield, de  universiteitsbibliotheek werd platgebrand, de waterleiding werd onklaar gemaakt,…   Ook Dendermonde werd niet gespaard en dichter bij ons waren er beschietingen op Lier.  Antwerpen zelf kreeg de twijfelachtige primeur van een luchtbombardement door een Zeppelin. (fig. 4)

De Duitse terreur was niet alleen gepland om de Belgen schrik aan te jagen en zo de bezetting te vergemakkelijken.  Ze wordt vooral  verklaard door frustratie over het eigen falen.  De Duitse soldaten waren niet altijd zeer goed opgeleid en er was ook sprake van veel voorkomend drankmisbruik.  De Belgische bevolking werd hierbij als zondebok naar voren geschoven.   In dit kader wijst men er tevens op dat de Duitsers helemaal niet vertrouwd waren met het fenomeen van de burgerwacht :  de Duitse militairen konden er niet mee om dat burgers over wapens beschikten en af en toe meevochten met het leger.

Het leven in de westkantons van Duitsland

In  bezet België waren er drie zones.  Het kleinste was het “Operationsgebiet”, de frontzone van slechts een paar kilometer breed waar de krijgswet van kracht was.  Dan volgde het “Etappengebiet”, de militaire zone van depots en verbindingen. Deze zone bevatte Oost- en West-Vlaanderen en de zuidelijke delen van Henegouwen en Luxemburg.  Gent was de residentie van het militair bestuur. De rest van het land – met uitzondering van Antwerpen dat werd geleid door een militair gouverneur, vormde het “Generalgouvernement” en hier waren de regels iets soepeler : zo konden Belgen hier  handel drijven.

De Duitsers probeerden niet optimaal te profiteren van de Belgische industrie die toch goed uitgebouwd was en weinig had geleden van de oorlog.  Zij ontmantelden sommige fabrieken en probeerden vooral zo veel mogelijk grondstoffen, geld en voedsel  in Duitsland te krijgen .  Zelfs een plan om een systeem voor sociale zekerheid naar Duits model in te voeren had vooral als bedoeling de Belgische industrie permanent minder concurrentieel te maken t.o.v. de Duitse.

 

Inzake voedselvoorziening stond België er ook niet goed voor.  Er was in 1914 nochtans hoogwaardige landbouw met hoge oppervlakterendementen en intensieve veebezetting. Door de  keuze voor vrijhandel kon België niet meer in zijn eigen voedselbehoefte voorzien. Alleen voor aardappelen, margarine, suiker, groenten en fruit voorzag het land nog in de eigen behoeften. Voor eieren, boter, kaas, vlees en vis was de handelsbalans negatief. Er was een grote buitenlandse afhankelijkheid inzake granen, kalveren, meststoffen, veevoeders, zaden en pootgoed. Ter vergelijking: in Duitsland moest slechts 10% van de landbouwproducten ingevoerd worden.  Dit zou in een agrarisch gericht land als België ernstige gevolgen hebben.

De burgerbevolking leed honger en  vooral de strenge winter 1916-1917 leidde tot problemen. Gelukkig was er een door Amerikanen geleide organisatie opgericht : de “Commission for Relief in Belgium”, die via het neutrale Nederland voedsel bedeelde aan de bevolking.  Hierdoor werd de ergste nood gelenigd. Toen de VS in de oorlog stapten, werd de leiding van deze voedselcommissie overgenomen door de neutrale landen Nederland en  Spanje.  Voor het platteland gold natuurlijk ook dat er op de boerderijen ondanks de strenge controle altijd wel een reserve beschikbaar was. 

Ongeveer een vierde van de Belgen probeerde het land te ontvluchten. Er zouden meer dan één miljoen burgers naar Nederland ontkomen. Tot het einde van de oorlog verbleven meer dan 300.000 Belgen in Frankrijk en ongeveer 150.000 in Groot-Brittannië.  Daarom probeerden de Duitsers de bewegingsvrijheid van iedereen zo veel mogelijk te beperken : er was censuur, reizen werd zeer beperkt doordat iedereen een personenbewijs moest hebben  (de voorloper van de identiteitskaart) en alleen met een toelating zijn dorp mocht verlaten,…  Begin 1915 werd de Nederlandse grens afgesloten door een hek van drie meter hoog waarop 2.000 volt stond.  Er werden 1135 Belgen terechtgesteld die voor ontsnappings- en spionagenetwerken werkten. Velen vonden de dood door elektrocutie aan die grensafrastering.

De Duitsers deden niets om zich populair te maken en de Belgische vaderlandsliefde steeg voortdurend.  Alles wat Duits was, werd geminacht.   Dit gold ook voor de zomertijd die werd  ingevoerd in 1916. Hierdoor bleef het ’s avonds langer licht en kon men bezuinigen op gas en elektriciteit en langer in de eigen tuin werken. De Belgen toonden hun verzet door het oude uur te blijven gebruiken. Als land dat al vele eeuwen tot vreemde overheersers had toebehoord, wisten  de Belgen op een subtiele manier hun onvrede te tonen.  De Duitsers konden niet om met spotliedjes  en andere stille vormen van verzet.  Door hun arrogantie wisten ze ook niet in te spelen op lokale gegevens zoals de achterstelling van de Vlaamse taal en baseerden ze alles op terreur. Daardoor mislukte bij voorbeeld ook hun “Flamenpolitik” waarbij Vlaanderen en Wallonië in 1915 administratief gescheiden werden en de universiteit van Gent vernederlandst werd. 

De Duitse oorlogsindustrie moest in het kader van de uitputtingsoorlog op volle toeren draaien.  Daarom werd  in oktober 1916 ook besloten om Belgische dwangarbeiders in te zetten.  In februari 1917 werden deze grootscheepse deportaties echter wel stopgezet. Toch zijn er in totaal 120.655 Belgische arbeiders gedeporteerd waarvan er 2614 omkwamen.  Het programma werd echter geen succes.  Buiten ethische problemen waren er ook praktische bezwaren : de Belgen waren te uitgeput en te weerspannig om echt productief te zijn en de industrie kon ze niet efficiënt inzetten.  Ondertussen begon de Geallieerde blokkade zijn werk te doen en werd er in Duitsland honger geleden.   Uit het “Etappengebied” werden wel veel burgers ingezet om versterkingen vlak bij het front uit te bouwen.

                        Het front : “in Flander Fields the puppies blow”

De Belgen waren weinig betrokken bij gevechten.  Dit was een gevolg van de beslissing van koning Albert I om de Belgische soldaten niet onder geallieerd opperbevel te plaatsen. De Belgen dienden dus niet als kanonnenvlees voor de ouderwetse zelfmoordaanvallen van de Franse en vooral Engelse generaals. Het aantal Belgische gesneuvelden in de Eerste Wereldoorlog ligt volgens verschillende bronnen tussen de 10.000  en 40.000.

De gevechten op Belgische grondgebied  vonden voornamelijk plaats in de “Ypres Salient”, de sector waar de Britten zaten. Deze ging van Boezinge tot Armentières aan de grens met Frankrijk. Centraal  stond de controle over de West-Vlaamse getuigenheuvels rond de Kemmelberg.  Hier verloor het Britse Imperium tussen de 220.000 en 240.000 slachtoffers, dat is bijna één derde van alle Commonwealth -doden in de Eerste Wereldoorlog.  In het Britse Imperium werd geen repatriëring van de doden toegestaan, daarom worden vandaag nog 195.468 slachtoffers van de Commonwealth in België herdacht. De soldatenkerkhoven bewijzen dat er veel slachtoffers uit verre streken kwamen : soldaten uit Engelse en Franse kolonies (Nieuw-Zeeland, Australië, India, Algerije,….) en zelfs arbeidsbrigades uit China.  Dit maakte in deze zones dat de leefwereld van de westhoekers bruusk werd opengebroken.


Achtereenvolgens vonden volgende gevechten plaats rond Ieper.  In oktober 1914 was er de slag om Langemark of de “Kindermord von Langemarck��������������������� waar veel  onervaren Duitse studenten en scholieren sneuvelden.   Eind oktober was er dan de eerste slag om Ieper. Tijdens de tweede slag gebruikten de  Duitsers een nieuw wapen : chloorgas.  De Bretoense reserves rond Boezinge kregen deze twijfelachtige primeur. De derde slag speelde zich af in juli 1917 wanneer Generaal Haig in het offensief ging om Passendale te veroveren.   Rond Mesen vond in 1917 ook de bekende mijnenslag plaats: vanuit tunnels wordt bijna 500.000 kilo dynamiet tot ontploffing gebracht – tot de atoombommen op Japan in 1945 waren dit de zwaarste militaire ontploffingen ooit. 

De relatieve rust aan het Belgische front betekende niet dat het leven er een pleziertje was : de vlakte bood geen enkele natuurlijke bescherming, de combinatie van regen en klei leidde tot permanente modder, ijskoude ondergelopen loopgraven en slecht schoeisel zorgden voor loopgraafvoeten,…. en tot slot was er het eindeloos wachten.  Het feit dat er weinig beweging was, betekende wel dat de loopgraven met de jaren beter waren uitgebouwd dan bv. in de Franse en Engelse sector waar de frontlijn niet vastlag.

Het oorlogsleven werd nog bezwaard doordat er geen betrouwbaar nieuws was : briefwisseling naar huis verliep traag want die moest via Nederland, de censuur keek overal mee…  Voor de gelukkigen waren er regionale blaadjes meestal volgeschreven door aalmoezeniers die werden doorgestuurd naar wie erom vroeg.  De geestelijken probeerden ook de verlofgangers in het gareel te houden door het promoten van Lourdes-reizen maar velen verkozen het wulpse Parijs – ook al hadden ze soms alleen geld om de reis te betalen.

Tijdens de vier jaar aan de IJzer konden de effectieven in het leger door rekrutering in het vrije  België weer aangevuld worden met 130.000 vrijwilligers.  Omdat de nood aan leidinggevenden groot was, werd de rekrutering van (onder)officieren sterk versoepeld.  Jongens die enkele jaren middelbaar onderwijs genoten hadden, kregen de kans om mits een beperkte opleiding adjudant te worden.  De hogere officieren hadden overigens weinig voeling met wat leefde onder de soldaten.  Zij verdienden relatief veel en hadden allerlei voorrechten in cafés en restaurants.  Al wie kon, probeerde een opleiding te volgen zodat

aan het front vooral de ongeletterde sukkelaars zaten.  Deze sociale verdeling had ook een taalkundig aspect: het merendeel van de soldaten kende enkel Vlaams, de bevelvoering was in het Frans. Minister De Broqueville was tegen aparte Vlaamse en Waalse regimenten omdat dit de nationale eenheid zou aantasten.

In Frankrijk en Engeland werden fabrieken voor oorlogsmateriaal opgericht. De financiële reserves waren echter zeer beperkt en zowel naar soldij als naar uitrusting bleef het Belgische leger achterna hinken. Zeker tegenover de Britten waren de Belgen armoezaaiers. In de frontstreek deed het volgend versje de ronde : “De Fransen eten en smeren, de Engelsen wassen en scheren, de Belgen vloeken en zweren en de Duitsers vechten als de beren“. Maar alle soldaten kampten met dezelfde problemen :  koude, slecht eten, vuile kleren en vuile kampementen, luizen, gasmaskers, de  Spaanse griep in 1918 ,…

 

   Leve de grote overwinnaars, wee de overwonnen, pech voor de kleine overwinnaars 


Tijdens het Duitse slotoffensief in 1918 hielden de Belgische soldaten goed stand ten  noorden van Ieper zodat het accent hier op de streek rond de Kemmelberg kwam te liggen. Tussen Loker en Dranouter staat de “demarcatiepaal nr. 7” (zie foto) op de plaats tot waar de Duitsers tijdens hun lente-offensief in 1918 zijn doorgedrongen.

Tijdens het geallieerd slotoffensief vanaf september  sneuvelden nog veel Belgen.  Zonder een enkele grote nederlaag te lijden was het Duitse leger genoodzaakt terrein prijs te geven. Ze trokken in goede orde terug en namen mee wat ze konden. Op 11 november werd de vrede getekend. De gevechten gingen letterlijk door tot het allerlaatste moment, tot 11 uur van 11 november 1918. De laatste soldaat die op Belgisch grondgebied sneuvelde, was de Canadees George Lawrence Price. Op dit ogenblik liep de frontlijn in België van Zelzate (Gent) tot Bergen

Doordat de Belgische verliezen aan soldatenlevens beperkt waren en doordat de ergste schade van de Duitse inval op de meeste plaatsen na vier jaar was weggemoffeld, zou België op de vredesconferenties na de oorlog geen groot gewicht in de schaal leggen. Onder meer vond de bekende economist Keynes dat er in België enkel wat schade was langs de IJzer terwijl de oorlog nog duidelijk herkenbaar was in het noorden van Frankrijk.  Toch was de Belgische industriële capaciteit ernstig geschaad. De Duitsers hadden veel voorraden en machines gestolen. Het spoorwegnet was op veel plaatsen onklaar gemaakt. De Belgen kregen een schadevergoeding maar die werd grotendeels gebruikt om de leningen bij de Amerikaanse banken af te betalen. De machines die teruggevonden werden, mochten gerepatrieerd worden. De geallieerden vergaten België ook bij de territoriale eisen: enkel de Oostkantons en Rwanda/Burundi werden aan België afgestaan. Alleen in de Verenigde Staten was de sympathie voor het kleine België niet vergeten: o.a. in de belangrijkste Amerikaanse universiteiten werd een grote inzamelactie gehouden om de universiteitsbibliotheek van LeuvenLeuven te herbouwen. 

Naar schatting 30 procent van de projectielen die tijdens de Eerste Wereldoorlog werden afgevuurd, kwamen toen niet tot ontploffing. Als gevolg daarvan wordt in West-Vlaanderen tot in de jaren negentig van de vorige eeuw  jaarlijks ongeveer 250 ton niet-ontplofte munitie teruggevonden. Daarom ook is het hoofdkwartier van de Belgische ontmijningsdienst nog steeds in Houthulst.           ��������������  ��     �������� ������������������                                                    Dirk Boeyaert