Kasteel de Borrekens

Werd gebouwd omstreeks 1270 door de ridders van Rotselaar. In 1678 werd het heropgebouwd en werd het omringd met stenen wallen. Het kasteel bestaat uit wit zandsteen afkomstig uit Vilvoorde. lees meer

Schapenstal

Begin 2010 is een enthousiaste ploeg vrijwilligers begonnen met de heropbouw van de stal, in de prachtige omgeving van het natuurgebied Schupleer. Na vele werkdagen werd de stal feestelijk geopend op 25 september 2011. lees meer

De 14 Kapellekens

We kunnen met vrij grote zekerheid stellen dat de kapellengroep ‘De Veertien Kapellekens’ werd opgericht in 1860 door landbouwer Petrus Verhaert, die medio 19e eeuw met een zeis in zijn been had gemaaid. lees meer

Schranshoeve

Aan de Nieuwstraat ligt, al vele eeuwen, de hoeve ‘de Schrans’, door iedereen gekend als het familiehuis van Kardinaal Jozef Ernest Van Roey (° Vorselaar, 1874). Thans is de hoeve één van de toeristische trekpleisters van de gemeente. lees meer

De kapelletjes in Vorselaar

Het Sassenhout is één van de oudste gehuchten van Vorselaar. Gelegen op wel 3 kilometer van het dorp en gescheiden van de ‘Plaetse’ door de onmetelijke bossen van de kasteelheer en de weidse beemden van de Aa-vallei, kende het steeds een eigen bestaan. lees meer

 

Kasteel De Borrekens

kasteel

Het is meer dan waarschijnlijk dat het kasteel van Vorselaar in de vroege Middeleeuwen ontstaan is als versterkte vesting om de bevolking van de heerlijkheid te beschermen voor invallen van buitenaf. Na de inval van de Noormannen in onze streken, rees immers overal de betrachting om de plunderingen in de toekomst te voorkomen. Op de ‘vadsige’ (luie) koningen moest het volk niet rekenen want deze lieten het bestuur volledig over aan de plaatselijke hofmeiers. Die lieten ter verdediging hoeven optrekken, die omgeven werden door grachten en paalwerk, van waarachter de vijand op een afstand kon gehouden worden. De laatste hofmeier van Vorselaar verliet de hoeve omstreeks 1270, toen Arnolf van Rotselaer, die het goed in leen had gekregen van Hertog Jan I van Brabant, in Vorselaar aankwam. Deze besefte dat de houten omrastering niet bestand was tegen brandende pijlen en liet een toren in steen bouwen. Een eerste gedaante van het kasteel rijst op wanneer in 1356 de ‘meestertoren’ gebouwd werd, vooral bestemd voor versterking.

Over de concrete uitbouw van het kasteel is weinig geweten. In de Middeleeuwen werd het kasteel bewoond door de heer van Vorselaar, in de vroegste tijden de heren van Rotselaar. Hun welstand steeg van jaar tot jaar door inkomsten die zij haalden uit heerlijke rechtspraak (een opgelegde straf kon afgekocht worden), allerhande belastingen en accijnzen en het verwerven van bezittingen van hen die zonder erfgenamen waren overleden. Bovendien waren de pachters in dienst van de heer en knapten zij voor hem allerlei karweitjes gratis op. In ruil hiervoor zorgde de heer voor bescherming van de inwoners van de heerlijkheid. Tot in het begin van de 16e eeuw bleef het kasteel in handen van de heren van Rotselaar. Toen de laatste van Rotselaar stierf, werd alles nagelaten aan Cornelis van Bergen, een neef van de familie, die het kasteel op zijn beurt naliet aan zijn neef Jean de Ligne, die gehuwd was met de dochter van de graaf van Arenberg. Ingevolge huwelijkscontract kregen de zonen, die uit dit huwelijk werden geboren, de naam ‘Arenberg’. Onder de volgende generaties van Arenberg ging het van kwaad naar erger. Karel Eugeen, achterkleinzoon van Jean de Ligne, verkeerde in zulke geldnood dat zelfs een lening hem niet meer kon redden. Hij verkocht het kasteel aan Jan Proost, onderkanselier van Brabant, die, nadat hij in de adelstand werd verheven, Jan de Proost werd genoemd. Hij was een zeer ondernemend man. Hij legde de beplanting rond het kasteel aan en trok een eikendreef dwars door het kreupelhout (waarvan het kerkebos nog een overblijfsel is). Ook legde hij de moerassen in het binnenbos droog en zorgde voor de restauratie van de burcht, die door het wanbeheer van de Arenbergs erg vervallen was.

De restauratie van het kasteel kostte fortuinen en na de dood van Jan de Proost bleven zijn weduwe en kinderen met schulden achter. In 1716 werd het kasteel verkocht aan de heer de Pret. Deze had slechts een dochter, gehuwd met een van de Werve van Schilde. Deze familie liet het kasteel verder herstellen en maakte het werk van de Proost af om het kasteel om te vormen tot een woonkasteel, een ‘huys de plaisance’. Karel van de Werve liet het poortgebouw en de ophaalbrug slopen. De verdedigingsmuren werden aan de zijkanten verlaagd en de ruime binnenplaats werd aangelegd. In deze tijd werden ook de bijgebouwen met stallen gebouwd.

De twee arduinen poorten bij de ingang van de binnenkoer en de vaste brug werden aangelegd in 1818 op initiatief van Louis van de Werve. Een derde grote verbouwingsgolf vond plaats in de laatste helft van de 19de eeuw (1850–1860) door Philippe van de Werve. Hierdoor kreeg het kasteel zijn huidig uitzicht met allerlei gotische stijlkenmerken, zoals de torentjes, schouwen en kantelen. Het gevierendeeld schild van de familie van de Werve werd bij Koninklijk Besluit van 24 maart 1841 aan Vorselaar toegekend als gemeentewapen. Philippe werd opgevolgd door René van de Werve, grootvader van Raymond baron de Borrekens. Sinds 1911 is het kasteel in het bezit gekomen van de familie de Borrekens, om enkele jaren geleden in erfpacht te zijn gegeven aan een vennootschap.